Die Luyden van 't Hooge Veene


De 17e eeuw

Lucas Steenbergen

Lucas Steenbergen
Eén van de centrale figuren op het oude Hoogeveen.
Een man waar we niet zoveel van hoorden, omdat hij in de schaduw stond van andere bekende namen, maar vooral ook omdat het archief van deze man niet bewaard is gebleven. En tegelijkertijd een man die het hele ontstaan van Hoogeveen heeft meegemaakt. Alles gebeurde, werd besproken, of had zijn uitwerking bij hem thuis rond de haardstede.

Lucas, vertel eens, wie ben je?

En Lucas vertelt:

"Mijn naam is Lucas Steenbergen. Wanneer ik geboren ben, dat weet ik niet precies. Mijn moeder zei dat het was rondom de Slag bij Nieuwpoort, daar ergens. Ik kan het wel navragen bij de pastoor, die heeft de doopboeken nog wel, maar wat zou je daarmee. Ik vier zelf altijd een beetje feest op mijn naamdag, 18 oktober, op Sint Lucas. Ik ben de jongste overgebleven zoon van Roelof Coops Steenbergen. Ik had een oudere zus Trijne en twee oudere broers, Coop en Arend. Eigenlijk lag het dus al voor mij vast dat ik gewoon als landarbeider bij mijn broers zou werken, als mijn vader er niet meer was. Mijn vader was schulte van Zuidwolde in de jaren 1699-1630. Toen vader stierf, was Coop al overleden, en heeft Arend dat ambt overgenomen. Toen Arend stierf… was ik aan de beurt.

Wat doet een schulte precies? Een schulte is in alle opzichten het hoofd van de wereldlijke kant van het bestuur van een schoutambt, het gebied dat hij beheert. Dat hoeft dus niet samen te vallen met een kerspel, de kerkelijke kant van het wereldbestuur. In dat schoutambt, in dit geval Zuidwolde, heel het Hooge Veen en later alleen dat deel wat onder Zuidwolde bleef vallen (Zuidwolder Hoogeveen) is de schulte verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van het gebied, voor het opmaken van alle op te maken akten van verkoop of overdracht, voor voogdijstellingen, voor het handhaven van de vrede en het tegengaan van geweld en dieverijen, voor het houden van goorspraken (publieke bijeenkomsten voor alle ingezetenen waar iedereen kan aangeven wat iemand voor crimineels heeft gedaan), voor het opsporen van daders van die criminaliteit, voor het innen van de belastingen, en nog veel meer. Als er wat verkocht moet worden, als iemand boeldag wil houden, kom maar op, we zijn pander erbij en registreren tegelijk de verkoop. Onroerend goed altijd met stoklegging, anders gaat er wat mis. Kortom, hij de schulte is alles wat men later burgemeester, notaris, politieman, officier van justitie, belastinginspecteur en veilingmeester zal gaan noemen. Onze belangrijkste bron van regels is het Landrecht van Drenthe van 1614. Daar staat alles in. En wat er niet in staat, daarbij bepaalt de schulte de regels. Wie het daar niet mee eens is, gaat maar naar Ridderschap en Eigenerfden, het Drentse bestuur, of de Etstoel, de Drentse rechtbank, om zijn gelijk te halen. Die schulten, dat waren en dat zijn wij dus in deze 1e helft van de 17e eeuw. De Steenbergens van Steenbergen. En wij waren ook schulten van Hoogeveen, we waren dat ook op Echtens-Hoogeveen! Jazeker!"

Dat wij zo'n centrale rol hadden in Zuidwolde, dat kwam voor onze voorgeschiedenis. Toen Steenbergen en Ten Arlo nog deel uitmaakten van de Heerlijkheid Ruinen, toen had de Heer van Ruinen een heel stel boerderijen in één keer in achterleen gegeven aan mijn voorvaderen. Die waren dan wel geen ridders, maar in ieder geval hereboeren met veel invloed. Daar stond tegenover dat ze altijd klaar moesten staan voor de Heer van Ruinen. De boerderijen zijn uiteindelijk aan mijn familie toegevallen, al zegt de Heer van Ruinen nog steeds dat ze van hem zijn. Ja, toen er aan vertimmert moest worden was hij ook niet thuis. Eigenlijk hebben we uiteindelijk alle boerderijen zelf weer op moeten bouwen, in de loop der jaren. Gesteund door de Landschap Drenthe zijn we eigenerfden geworden. De boerderijen zijn in de loop der jaren in alle takken van mijn familie verefd en de waardelen in de marke zijn flink opgesplitst. Of mijn voorvaderen geld hadden of niet, er is nu niets meer van over. Het enige wat er nog echt van over is, dat is de status die de oudste zoon en belangrijkste erfgenaam altijd kreeg. Dat was eeuwen achtereen de achterlener, de afgezant van de Heer van Ruinen. Dat werd uiteindelijk de schulte, en in zijn nazaten is het ambt vererfd. Het levert in ieder geval wat extra geld op, en dat kan ik hard gebruiken. Want uiteindelijk werd ik de oudste zoon.

Mijn oudste broer Coop werd niet oud, en had nog niet de leeftijd om een gezin te stichten. Toen mijn broer Arend namelijk stierf, was er geen kind dat het werk van hem over kon nemen. Zo kwam ik in 1633 in het bezit van de boerderij waar ik als jongetje opgroeide, waar ik als landarbeider voor mijn vader en mijn broers werkte, en waar ik nu boer ben. Ik heb schrijven geleerd van de schoolmeester van Zuidwolde. Als er wat geregeld moest worden, kwamen de mensen uit Zuidwolde al tientallen jaren bij ons aan de deur. Was vader of was broer Arend er niet, dan overlegde ik alles wat nodig was, sprak met ze af wanneer ze terug kwamen, en tegen die tijd stond de familie klaar om alles af te handelen. Ik was erbij als mijn vader stokleggingen deed of stokleggingsbrieven opmaakte, en was erbij toen mijn broer dat deed. Als mijn vader of broer veel werk hadden, kon ik de brieven al schrijven. Ik leerde de moeilijke woorden uit het Drentse Landrecht door daar hele delen van over te schrijven. Alles bij elkaar was ik in 1633 eigenlijk al zo bekend met alles, dat het vanzelfsprekend was dat ik mijn broer op zou volgen. Geboren om landarbeider te blijven, en dan uiteindelijk toch nog opvolger van mijn vader, wie had dat gedacht. Maar eigenlijk hoort dat natuurlijk niet. Ik heb er wel mijn beide broers voor moeten verliezen.

Aan de andere kant heb ik in mijn jonge jaren veel gezien en geleerd, wat misschien niet het geval was geweest als ik de oudste zoon was geweest. Dat was vooral in de dagen dat ik nog de vierde man was op de boerderij. Als Coop en Arent met vader op de akkers stonden, liep ik met de schapen of de koeien door de weiden bij het Oude Diep, of langs de randen van het Oosterveen, wat ze nu Hooge Veen noemen. Daar waren hele stukken waar je gewoon door kon, en waar de koeien of de schapen flink wat te vreten hadden. Ik ken het hele gebied dan ook op mijn duimpje. De boerderij leverde vaak maar net genoeg om van te leven, of zelfs dat nog niet helemaal. Als ik dus wat zou kunnen verdienen met ander werk, zou ik die kans moeten pakken. Ik herinner me nog dat in 1616 bij ons bij de schouw de boeren van Steenbergen en Ten Arlo bij elkaar zaten. Ze spraken met Jan van Buren uit Meppel over de verkoop van een stuk van het Lageveen. Die wilde daar de turfgraverij laten beginnen. Eigenlijk waren we er wel blij mee. We verdienden wat aan het veen, en Jan van Buren had meteen extra werk voor de arbeiders uit de buurt. Zo heb ik dus leren turfgraven, in het veen van Jan van Buren, en reken maar dat dit me later goed uitgekomen is. De Spaanse soldaten of troepen van Oranje zwierven toen nog overal rond, met lege magen en begerige ogen. Het was vaak geen kwaad volk, je kon er wel wat mee handelen. Voor een beetje eten wilden ze ook wel eens aan het werk, maar je had er tussen die alleen maar op stelen uit waren. Ik heb toen nog wel gehandeld met de zwervende soldaten. Was er geen geld, was er wel wat anders van waarde. Daar heb ik nog een mooie Spaanse rapier aan over gehouden. Ik heb in die jonge jaren ook wel geprobeerd om in Groningen en Zwolle aan het werk te komen. Ik ben zelfs nog een keer in Holland en Utrecht geweest. Wat heb ik er veel gezien, maar wat leverde het weinig werk op. Een Drent gold daar overal voor dom en boers, zodat ze me liever zagen gaan dan komen, behalve als ik een zuur verdiende duit weer wilde uitgeven. Ach, ik heb er ook nog wel wat sterke verhalen van over gehouden. Misschien vertel ik die nog wel een keer.

Dat was allemaal voor ik getrouwd ben met Roelofje Jans. De Heer zegende ons met een kinderschare, waarvan er vijf groot mochten worden. Hun namen:
1. Jan Steenbergen, schulte van Zuidwolde en Zuidwolder-Hoogeveen 1663-1666.
2. Roelof Steenbergen, tr. Beeltjen de Raadt.
3. Beertjen Steenbergen, tr. Pieter Lubberts van den Bergh.
4. Elisabeth Steenbergen, tr. (1e) Gelmer Ibinck, (2e) Lyckle Oeges.
5. Engbert Steenbergen, tr. Femmigje Jans. Schulte van Echtens-Hoogeveen 1675.

Jan, mijn oudste zoon, was van jongs af aan mijn steun en toeverlaat op de boerderij. Hij stond me bij waar ik in de streek aan het werk was als schulte of veenbaas. Beertje nam de huishouding op zich, toen mijn Roelofje overleden was. En ik? Ik ben nu voornamelijk aan de handel met veen. Na lang wachten, is dat uiteindelijk toch nog goedgekomen. De hele geschiedenis van dat veen werd besproken bij ons rond de schouw. Toen Roelof van Echten in 1625 veen wilde ruilen voor rechten en tienden, blies ik op de hoorn, en blies zo de hele marke bij elkaar voor een vergadering. We bespraken de voor- en de nadelen. We wilden wel graag in de turfhandel, maar we wisten ook dat het veenland eigenlijk van de Heer van Ruinen was. Roelof heeft het doorgedrukt, maar we hebben als schulte daar nooit onze goedkeuring aan kunnen en willen geven. Begrijp me goed, we wilden wel verveners worden, maar hadden we wel recht op dat veen? In 1626 werd duidelijk dat de Landschap Drenthe dat veen min of meer annexeerde en de overdracht goedkeurde. In 1630 werd de ondergrond verkocht. In 1631 nog weer een stukje veenland met grond en al. Beide keren hebben we geen stoklegging geregeld en aldus de overdracht nooit bekrachtigd.

We mochten zelf ook beginnen met vervenen, verwachtten we, en zouden gebruik kunnen maken van de vaart van de Compagnie van de 5000 Morgen. Toen die klaar was, vroegen we in 1634 permissie van de Landschap Drenthe om te gaan turfgraven. Roelof heeft toen gezegd dat hij alleen mocht turfgraven in onze venen. Dat sloeg nergens op, maar ja, wij waren geen gedeputeerden en hij wel. Ik werd de eerste schulte van dat nieuwe gebied. Roelof van Echten heeft later zelf ook een schulte aangesteld. Er was een heel gedoe over wie nu waar de baas was. Nee, wat dat betreft kan ik nog heel wat vertellen. Gelukkig kwam in 1651, toen Roelof al 8 jaar dood was, heel wat goed. We mochten eindelijk gaan turfgraven en groeven onze eigen vaart naar Alteveer. Toen kwam er zowel werk voor deze veenbaas, dat ik de boerderij al min of meer aan Jan over kon laten.

Die boerderij van mij, die is ooit helemaal beschreven. In de papieren uit de jaren 1642-1645 vind je hem als volgt terug:
Eigenaar Schulte Lucas Steenbergen.
Waarde van de boerderij: F 700-0-0 Boerderij van 6 gebint, 26 voet. (Binnen de gebinten 15m x 7,1m.)
Schuur en schot: 5 gebint.
Bezaaid land: 16 mudden. 1 mud is ongeveer 0,27 ha.
In 1612 had mijn vader Roelof Coops Steenbergen toen 12 mudden bezaaid land. We hebben het dus met 4 mudden uitgebreid.
Woest land: 10 mudden.
6 dagwerk hooiland in de vledders in de Echtinger marke.

Lucas Steenbergen bezat samen met Willem Hilbers en Jan Alberts en consorten een van de vier halve waardelen van Steenbergen. Je leest het goed, met zijn drieën hebben we een vierde van de helft van Steenbergen, dus ik heb uitgerekend 1/12e van Steenbergen in mijn bezit. Niet veel dus. Vandaar dat ik ook graag wilde turfgraven, dat bracht geld in het laatje. We hebben met dat 1/12e aandeel van Steenbergen ook rechten in de weidegronden bij het Oude Diep en in het Kinholt. Daar sturen we koeien heen of laten we varkens eikels vreten, en in de zomer halen we er hooi.

Genoeg gepraat. Als je meer wilt weten, dan vraag het me maar. En er is genoeg te vertellen. De hele wording van het Hooge Veen en alles wat er gebeurde rondom overdracht van veenland, vervening, huizen bouwen, kolonisatie, alle onderlinge strijd van wie dan ook, noem maar op, dat alles werd bij mij thuis rondom de schouw besproken. Of we waren erbij betrokken als schulten om dingen te regelen, of het had gevolgen voor ons eigen gebied als marke van Steenbergen en Ten Arlo, of voor ons schoutambt Zuidwolde. Nee, wat dat betreft kunnen we nog heel wat boekjes open doen...

naar boven

terug


facebook die luyden