Die Luyden van 't Hooge Veene


De 17e eeuw

Pieter Lacourt

Pieter Lacourt
Pieter Lacourt werd vr 1645 opvolger van de waard Derck Claesen en diens vrouw Clari Lambers in de grote herberg van Roelof van Echten.

Pieter, eigenlijk Pierre, was afkomstig uit een Waalse familie, die was uitgeweken naar Leiden.

Als beheerder van het enige grote gebouw dat de Van Echten's lieten bouwen, deed hij ook wel hand en spandiensten voor ze.

De westkant van de Hoofdstraat viel onder Zuidwolder Hoogeveen en was lang ongedeeld eigendom van de markegenoten van Steenbergen en Ten Arlo.
Roelof van Echten was een van hen. In 1641 kreeg Roelof van Echten bij de verdeling van die westkant een flink stuk grond toebedeeld. Daar liet hij vrijwel direct een grote herberg bouwen.
In de herberg hield ook de schulte zitting. Je kon er drinken, slapen, feesten, en - als je het een beetje stil hield - ook prachtig gebruik maken van de diensten van Clari Lambers, de vrouw van de waard, Derck Clasen.
Haar oudste zoon was al een hele kerel, dus Clari was ook niet meer de jongste, maar rijp fruit smaakt beter dan groen en zuur, is het niet.
Op 6 september 1642 versprak rentmeester Carst Peters zich. Hij was beschonken en kwaad op Clari. Hij riep rond dat hij 's nachts op het kleine kamertje sliep, als zijn vrouw naar Friesland was, en dat Clari dan wel tweemaal 's nachts bij hem kwam!
De rel en de trammelant met Roelof van Echten, die zo publiek werd neergezet als een adellijke bordeelhouder, had tot gevolg dat Clari en Derk naar elders vertrokken, al sprak men nog wel van "De Claerenberg" als men het over de herberg had.

Pieter Lacourt woonde er al met zekerheid in 1645.
Na de dood van Roelof van Echten werd diens erfenis verdeeld over zijn drie kinderen. Op 15 april 1645 ging bij boedelscheiding "Die nije harberge daer Pieter Lacourt inne woont met het lant daer acgter" in eigendom over op jonkheer Feijo Sickinghe, getrouwd met Sophia van Echten.
Het pand bleef herberg, en Pieter La Court zette zijn tap voort voor zijn nieuwe baas. Mogelijk was Pieter La Court in die dagen niet alleen zetbaas op de herberg, maar ook zaakwaarner van de Sickinghe's. Pieter kunnen we dan ook voorstellen als beheerder van de Sickinghe's, waarbij hij hun veen, grond, meierwoningen en arbeiders voor hen, onder bestuur had.

De geschiedenis van de brandweer in het dorp Hooge Veen begint in 1647. We lezen in de notulen van de Compagnie van de 5000 Morgen van 18 juni 1647: "Op het stuk om orde te stellen van brandgereedschap is geordonneerd dat men zal laten maken vijftig brandemmers, en dezelve tekenen met H en V en wordt voorts geordonneerd dat ieder huisgezin zal gesteld worden op het onderhouden van een bootshaak".
In 1649 waren de emmers er nog niet, maar stond dat er al wel aan te komen. Men besloot ze als volgt over het dorp te verdelen: "dat tot dien einde zullen worden ingekocht vijftig brandemmers, te verdelen in drie huizen, te weten het ene gedeelte in de behuizing van de Weledele Heer Schaap, tien in de behuizing van Peter La Court en tien in de gemene behuizing van Hollandse participanten, en dat dezelve zullen worden getekend met H:V:".
De herberg van Pieter Lacourt stond half tussen de twee andere brandweerposten in, en was door de brug ervoor (de Noordse Brug) van beide zijden van de Eerste Wijk (nu Hoofdstraat) goed bereikbaar.
Met de tien leren brandemmers in zijn woning, en Pieter verantwoordelijk voor de uitgifte daarvan, kunnen we hem ook bestempelen als een van de drie brandmeesters uit het Hooge Veen van die dagen.

naar boven

terug


facebook die luyden